ECLI:NL:RBDHA:2023:4883
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betoogde dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, onder meer vanwege een circulaire brief van de Italiaanse immigratiedienst en persoonlijke ervaringen van slechte behandeling, en dat Nederland de aanvraag daarom wel had moeten behandelen.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat Nederland mag vertrouwen op Italië als verantwoordelijke lidstaat, tenzij concrete aanwijzingen het tegendeel bewijzen. Diverse rapporten en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië nog steeds geldt. De persoonlijke ervaringen van eiser en de circulaire brief leiden niet tot een ander oordeel, omdat de brief slechts een tijdelijk overdrachtsbeletsel inhoudt.
Eiser voerde ook aan dat Nederland de behandeling had moeten overnemen vanwege zijn familieband met een broer die in Nederland verblijft. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende is om af te wijken van de Dublinverordening, die familiebanden al beschermt binnen haar bepalingen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechtbank benadrukte dat de asielaanvraag alsnog inhoudelijk zal worden behandeld als het tijdelijke overdrachtsbeletsel langer duurt dan de termijn volgens de Dublinverordening.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.