Eiser diende op 27 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden een besluit had genomen, stelde eiser verweerder op 8 juli 2022 in gebreke en diende op 29 juli 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn is verstreken, de ingebrekestelling rechtsgeldig was en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank wijst op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die het verbeuren van bestuurlijke dwangsommen in asielzaken uitsluit, en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die dit bevestigt. Wel geldt dat de rechter een dwangsom kan opleggen bij overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank draagt verweerder op binnen zestien weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- voor elke dag overschrijding. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 418,50 en aan verweerder opgelegd.