ECLI:NL:RBDHA:2023:5011
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag afgewezen en proceskosten toegewezen
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende op 27 november 2018 een tweede aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden stelde eiser de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 juni 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens stelde eiser op 5 juli 2022 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Op 13 september 2022 nam de staatssecretaris alsnog een besluit en wees de aanvraag toe. Eiser handhaafde het beroep, met het verzoek om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom en vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is geworden door het alsnog genomen besluit. Het beroep tegen het besluit zelf werd ongegrond verklaard omdat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is.
De rechtbank baseerde zich hierbij op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die heeft geoordeeld dat het uitsluiten van een bestuurlijke dwangsom in asielprocedures niet in strijd is met het Unierecht. Wel is het afschaffen van de rechterlijke dwangsom in strijd met het Unierecht, maar dat speelde hier niet. De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten ad €418,50.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit ongegrond en de staatssecretaris is veroordeeld tot proceskostenvergoeding.