Eiser heeft op 3 februari 2020 een herhaalde aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden heeft eiser op 24 juni 2022 verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens heeft eiser op 12 juli 2022 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is ontvangen, waarna meer dan twee weken zijn verstreken zonder besluit. Op grond hiervan verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit, gelijkgesteld aan een besluit.
De rechtbank draagt verweerder op binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. De proceskosten worden vastgesteld op € 418,50 en worden aan verweerder opgelegd.
De rechtbank overweegt dat hoewel de uiterste termijn van 21 maanden ruim is overschreden, een termijn van zestien weken redelijk is om zowel zorgvuldigheid als het belang van eiser te waarborgen. Tevens wordt de toepasselijkheid van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND besproken, waarbij de rechterlijke dwangsom niet is afgeschaft en dus kan worden opgelegd.