Eiser diende op 12 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiser de Staatssecretaris bij brief van 30 juni 2022 in gebreke. Vervolgens werd op 6 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de beslistermijn is overschreden en de ingebrekestelling rechtsgeldig is. De rechtbank wijst op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die bestuurlijke dwangsommen uitsluit, maar bevestigt dat rechterlijke dwangsommen nog mogelijk zijn. Daarom wordt de Staatssecretaris opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100,- per dag op voor elke dag overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500,-. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 11 april 2023.