ECLI:NL:RBDHA:2023:5523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
19 april 2023
Zaaknummer
NL23.4214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Richtlijn 2013/32/EUArt. 5 Richtlijn 2013/32/EUArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 DublinverordeningArt. 23 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser diende een asielaanvraag in en werd door Nederland doorverwezen naar Frankrijk op basis van de Dublinverordening. Eiser stelde dat het terugnameverzoek niet tijdig was ingediend omdat hij zich eerder had gemeld bij het aanmeldcentrum en de formele indiening pas later plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat de datum van de asielaanvraag moet worden gesteld op het moment van de eerste melding, conform de Procedurerichtlijn en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.

Hoewel verweerder de termijnen voor registratie en formele indiening niet binnen de gestelde termijnen had gehanteerd, was er geen sprake van een ongerechtvaardigde vertraging die de werking van de Dublinverordening zou frustreren. Het terugnameverzoek was tijdig ingediend op basis van de formele indieningsdatum en Eurodac-gegevens.

Eiser voerde ook aan dat hem een bedenktijd in het kader van mensenhandel toekomt, waardoor geen overdracht mocht plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat in deze procedure over de verantwoordelijke lidstaat niet kan worden geoordeeld over de bedenktijd, die in een aparte procedure kan worden aangevochten. Verweerder heeft toegezegd geen overdracht te effectueren zolang de bedenktijd geldt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4214
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 9 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.4215, op 28 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ankomah. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk is daarmee akkoord gegaan met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Datum asielaanvraag
2. Eiser voert aan dat het terugnameverzoek van 7 november 2022 niet tijdig is ingediend. Eiser heeft zich op 15 augustus 2022 al gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter
Apel voor zijn asielaanvraag. Pas zes weken later, op 24 september 2022, is hij door verweerder in de gelegenheid gesteld om een aanvraagformulier te ondertekenen. Dit is niet binnen de in artikel 6, eerste lid, van Richtlijn (EU) nr. 2013/32 (Procedurerichtlijn) genoemde termijn, zodat verweerder in strijd met dit artikel en in strijd met artikel 5 van Pro de Procedurerichtlijn heeft gehandeld. Eiser had immers eerder in de gelegenheid gesteld moeten worden om zijn aanvraag formeel in te dienen. Eiser wijst er verder op dat verweerder door deze handelswijze ook in strijd met punt 12 van de considerans van de Dublinverordening heeft gehandeld, waarin staat dat de Procedurerichtlijn en de Dublinverordening naast elkaar staan. Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Procedurerichtlijn moet 15 augustus 2022, dan wel 18 augustus 2022 worden aangemerkt
als de datum van de asielaanvraag. Uitgaande van die data zijn de vingerafdrukken van eiser niet tijdig ingevoerd in Eurodac, en is ook het terugnameverzoek niet tijdig ingediend.
Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van eiser zijn asielaanvraag. De handelwijze die verweerder in deze zaak heeft gehanteerd werkt bovendien willekeur in de hand, omdat verweerder op deze manier de termijnen in de Dublinverordening kan frustreren.
3. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 17 december 2020, Europese Commissie tegen Hongarije, C‑808/181, r.o. 93 volgt dat de lidstaten in het algemeen alle verzoeken om internationale bescherming die een derdelander of een staatloze doet bij nationale autoriteiten die binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen, binnen de in artikel 6 van Pro richtlijn 2013/32 vastgestelde termijn moeten registreren en er vervolgens voor dienen te zorgen dat de betrokkenen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om hun verzoek zo snel mogelijk (formeel) in te dienen2.
Uit r.o. 97 volgt dat een dergelijk verzoek wordt geacht te zijn gedaan zodra de betrokkene bij een van de in artikel 6, lid 1, van de Procedurerichtlijn bedoelde autoriteiten te kennen heeft gegeven internationale bescherming te wensen, zonder dat de weergave van deze wens aan enige administratieve formaliteit kan worden onderworpen3.
Uit r.o. 101 volgt dat op de datum waarop het verzoek om internationale bescherming is gedaan, de termijn ingaat waarbinnen dit verzoek overeenkomstig artikel 6, lid 1, van die richtlijn moet worden geregistreerd en waarbinnen de verzoeker in de gelegenheid moet zijn gesteld om zijn verzoek om internationale bescherming zo snel mogelijk in te dienen, zoals is vereist in artikel 6, lid 2, van die richtlijn.
Uit r.o. 102 volgt dat het bestaan van dit recht om een dergelijk verzoek te doen, er dus een voorwaarde voor is dat het recht op registratie, indiening en behandeling van dit verzoek binnen de in de Procedurerichtlijn gestelde termijnen daadwerkelijk wordt geëerbiedigd en uiteindelijk dat er sprake is van een doelmatig asielrecht zoals gewaarborgd in artikel 18 van Pro het Handvest.
Uit r.o. 103 volgt dat een lidstaat het tijdstip waarop de betrokken persoon in de gelegenheid wordt gesteld zijn verzoek om internationale bescherming te doen dus niet op ongerechtvaardigde wijze kan uitstellen, omdat anders aan artikel 6 van Pro deze richtlijn zijn nuttige werking wordt ontnomen.

1.ECLI:EU:C:2020:1029.

2 zie in die zin het arrest Hasan van het Hof van 25 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:35, r.o. 76.
3 zie in die zin arrest van het Hof van 25 juni 2020, Ministerio Fiscal, ECLI:EU:C:2020:495, r.o. 93 en 94.
4. De vraag is of verweerder het tijdstip waarop eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn verzoek om internationale bescherming te doen laten registreren, op ongerechtvaardigde wijze heeft uitgesteld.
5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiser zich op 15 augustus 2022 bij verweerder heeft gemeld en zijn asielwens heeft geuit. Dit volgt ook uit de overgelegde afsprakenkaart waarop staat “eerste aanvraag”. Deze uiting dient te gelden als verzoek om internationale bescherming als gevolg waarvan de termijnen als bedoeld in artikel 6 van Pro de Procedurerichtlijn van toepassing zijn. Eiser stelt tevens dat hij vervolgens pas op
24 september 2022 door verweerder in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraagformulier te ondertekenen. Verweerder heeft dit niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder weliswaar in het geval van eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van Pro de Procedurerichtlijn door niet de in dat artikel genoemde termijnen in acht te nemen, maar niet is gebleken dat verweerder de mogelijkheid voor eiser om zich te kunnen laten registreren op ongerechtvaardigde wijze heeft uitgesteld. Immers, in de periode dat eiser zijn asielwens heeft geuit heeft verweerder te maken gehad met een zodanige verhoogde instroom aan asielzoekers als gevolg waarvan deze termijnen kennelijk niet konden worden gehaald. Met wat is aangevoerd is de rechtbank niet gebleken dat er bij verweerder sprake is van een vaste en algemene praktijk dat deze termijnen niet in acht worden genomen, waarmee de daadwerkelijke, vlotte en snelle toegang tot de procedure inzake internationale bescherming niet langer gewaarborgd is en artikel 6 van Pro de Procedurerichtlijn zijn nuttige werking is ontnomen.
Daarbij vindt de rechtbank in de situatie van eiser nog van belang dat uitgaande van de datum van de formele indiening van het verzoek om internationale bescherming, het tijdsverloop van veertig dagen sinds de aanmelding tot die datum niet dusdanig is dat daarmee in zijn geval afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van de Dublinverordening, dat zo snel mogelijk moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.
6. Vervolgens uitgaande van de datum van formele indiening van de asielaanvraag, te weten 24 september 2022, is het verzoek om terugname van 7 november 2022 tijdig gedaan. Dit omdat het terugnameverzoek is gebaseerd op de gegevens uit Eurodac van 24 september 2022 en het verzoek tot terugname volgens artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening zo snel mogelijk wordt ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 603/2013 (Eurodacverordening). Er is de rechtbank gelet op het voorgaande en ook anderszins niet gebleken van een zodanige toepassing van de Dublinverordening dat deze leidt tot
willekeur. De beroepsgrond slaagt niet.
Bedenktijd aangifte mensenhandel
7. Eiser voert aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel en dat hem een bedenktijd in de zin van artikel 6, eerste lid, van Richtlijn nr. 2004/81/EG moet worden geboden. Tijdens deze bedenktijd mag eiser niet worden overgedragen. De reden dat eiser nog geen aangifte heeft gedaan is dat hij pas door zijn gemachtigde is gewezen op de mogelijkheid van het doen van aangifte. Het standpunt van verweerder over de bedenktijd in het bestreden besluit is niet duidelijk, zodat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Uit het arrest van het Hof in de zaak O.T.E. tegen Nederland van 20 oktober 20224 volgt dat eiser niet mag worden

4.ECLI:EU:C:2022:809.

overgedragen zolang de bedenktijd loopt. Dit betekent dus dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat eiser in Frankrijk aangifte zou kunnen doen. Subsidiair voert eiser aan dat verweerder ook geen overdrachtsbesluit mag nemen tijdens de bedenktijd, want dat impliceert de bevoegdheid om het claimakkoord te effectueren en de feitelijke overdracht te realiseren. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 13 februari 20235.
8. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest O.T.E. tegen Nederland overweegt het Hof dat Richtlijn nr. 2004/81/EG zich er niet tegen verzet dat tijdens de periode van de bedenktijd krachtens artikel 6, eerste lid, van die richtlijn, een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld en voorbereidende maatregelen worden getroffen voor de uitvoering daarvan,
mits deze voorbereidende maatregelen de bedenktijd niet van hun nuttige werking beroven.6 Volgens het Hof verzet dit artikel zich er alleen tegen dat een overdrachtsbesluit wordt uitgevoerd wanneer de onderdaan van een derde land de bedenktijd waarop hij recht had niet heeft gekregen. Verder volgt uit de uitspraak van de ABRvS van 25 februari 20217 dat verweerder in een Dublinprocedure niet toekomt aan de vraag of een vreemdeling in aanmerking komt voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat de aangifte van mensenhandel geen invloed heeft op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek.
9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank in deze procedure, die gaat over welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van eiser zijn asielverzoek en het in het kader daarvan nemen van een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening, niet toe aan de beoordeling van de vraag of verweerder eiser een bedenktijd moet bieden. Eiser kan zijn standpunt dat hem een bedenktijd moet worden geboden, aanvoeren en laten beoordelen in een eventuele procedure tegen zijn feitelijke overdracht. Verder is met de besluitvorming ter uitvoering van de Dublinverordening niet gebleken van voorbereidingshandelingen die de eventuele bedenktijd van zijn nuttige werking heeft beroofd. De rechtbank vindt daarbij van belang dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat eiser niet zal worden overgedragen aan Frankrijk als hem inderdaad een bedenktijd toekomt en deze nog niet is verlopen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

5.ECLI:NL:RBDHA:2023:1535.

6 ECLI:EU:C:2022:809, r.o. 80.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.