Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
verhoor” omdat het een “proces-verbaal van
gehoor” is- is onder meer het navolgende vermeld:
6. LEEFTIJDSSCHOUW
uitsluitendat zijn overdrachtsbesluit betrekking heeft op een minderjarige. Een andere beoordeling ontneemt het nuttig effect aan de bepalingen die het belang van het kind waarborgen. In de onderhavige procedure kan verweerder niet uitsluiten dat eiser minderjarig is.
strong doubts” had onjuist en misleidend. “Twijfel over de opgeven leeftijd” laat zich niet vertalen met “strong doubts”. Bovendien leidt de kwalificatie “strong doubts” tot de veronderstelling dat er meerdere “gradaties” van twijfel zouden bestaan. De schouw zoals die thans wordt verricht dwingt de schouwers echter een keuze te maken tussen evidente minderjarigheid, evidente meerderjarigheid of twijfel. In het geval van evident minder- of meerderjarigheid, wordt er dus niet getwijfeld. Indien geen sprake is evident minder- of meerderjarigheid zal de conclusie zijn dat er sprake is van “twijfel” aan de verklaringen dat de verzoeker minderjarig is. Tot “strong doubts” kan dus gewoonweg niet worden geconcludeerd. Een groter gebrek in dit claimverzoek is dat de conclusie van de IND dat “eiser evident minderjarig” in het geheel niet is vermeld terwijl wordt verwezen naar de resultaten van de age assessment
s. In het claimverzoek is ook niet vermeld dat eiser heeft verklaard dat de verklaring die hij in Italië heeft afgelegd onjuist is en welke beweegredenen eiser hiervoor heeft gegeven.
- Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel;
- De rechtbank is bekend met de Circular Letter, de brief van de Europese Commissie, de brief van de Italiaanse autoriteiten van 4 januari 2023, van 27 januari 2023 en de bovengenoemde brief van 7 februari 2023;
- De uitspraken van de Afdeling die gaan over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten dateren van vóór het uitvaardigen van de Circular letter op 5 december 2022, zodat deze Afdelingsjurisprudentie op dit moment niet onverkort kan worden gevolgd;
- Artikel 33 van Pro de Dublinverordening bevat een “Mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing, paraatheid en crisisbeheersing”; Italië heeft dit mechanisme niet in werking gesteld maar in plaats daarvan aan de lidstaten aangegeven geen inkomende Dublintransfers te accepteren;
- De omstandigheid dat Italië thans geen opvangfaciliteiten heeft en Dublintransfers weigert is geen feitelijk beletsel, maar een juridische omstandigheid die relevant is voor de beoordeling van het overdrachtsbesluit en welke omstandigheid daarmee mogelijk een juridisch beletsel voor overdracht is;
- Italië heeft weliswaar het claimverzoek aanvaard en daarmee erkend zich verantwoordelijk te achten voor de behandeling van eisers’ asielaanvraag maar schort alle overdrachten uit alle lidstaten op vanwege capaciteitsproblemen;
- Er bestaat geen rechtsgrond voor een “uitgestelde” beoordeling van de beschikbaarheid van en toegang tot opvang tot het moment van de feitelijke overdracht. Een in rechte vaststaand overdrachtsbesluit impliceert een bevoegdheid om een claimakkoord te effectueren en de feitelijke overdracht te realiseren. Ten tijde van het onderzoek ter zitting en dus op het moment dat het overdrachtsbesluit door de rechter wordt getoetst bestaat die bevoegdheid echter niet. Niet valt in te zien dat het overdrachtsbesluit dan rechtens juist kan zijn;
- Uit de strekking van de Dublinverordening en meer in het bijzonder de ratio van de korte termijnen die de Uniewetgever heeft gesteld, volgt óók dat de overdrachtstermijn van zes maanden niet is bedoeld om te wachten tot de verantwoordelijke lidstaat binnen de overdrachtstermijn voldoet aan zijn verplichtingen indien deze lidstaat ten tijde van het nemen van een overdrachtsbesluit hieraan ontegenzeggelijk niet voldoet;
- De overdrachtstermijn is geen zes maanden-termijn om te wachten totdat overdracht “juridisch mogelijk” is. De overdrachtstermijn kan dus niet worden “gebruikt” om af te wachten of Italië in staat en bereid is om zijn Unierechtelijke verplichtingen na te komen;
- Een andere uitleg doet ernstig afbreuk aan de bescherming die eiser aan de Dublinverordening ontleent om niet in een met artikel 4 Handvest Pro-strijdige situatie na overdracht te komen. De rechtsingang om bezwaar te maken tegen de feitelijke overdracht is niet gelijk te stellen met het instellen van beroep tegen een overdrachtsbesluit. In een dergelijke procedure komt immers aan de orde op welke wijze verweerder van zijn bevoegdheid tot overdracht gebruik zal maken en niet óf verweerder bevoegd is om tot die overdracht over te gaan;
- Verweerder is niet bereid om toe te zeggen bij de aankondiging van de feitelijke overdracht garanties te vragen dat opvang beschikbaar is en verweerder is niet bereid om toe te zeggen dat wordt afgezien van overdracht indien die garanties niet expliciet worden verkregen;
- Het niet kunnen voldoen aan de verplichting om opvang te bieden is reeds kenbaar bij het nemen van het overdrachtsbesluit en regardeert dus dit besluit. Omdat Italië aangeeft onvoldoende opvangcapaciteit beschikbaar te (kunnen) maken, kan overigens, naar het oordeel van de rechtbank, van eiser niet worden verwacht dat hij na overdracht daarover klaagt bij de Italiaanse autoriteiten omdat dit bij voorbaat kansloos moet worden geacht;
- Verweerder is thans doende om vluchten te boeken voor de tweede helft van de maand februari en annuleert die vluchten vervolgens zodra én slechts indien de Italiaanse autoriteiten expliciet aangeven dat overdrachten moeten worden geannuleerd. Indien de Italiaanse autoriteiten niet uitdrukkelijk aangeven voor een bepaalde periode geen inkomende overdrachten te accepteren, zal verweerder in rechte vaststaande overdrachtsbesluiten op de gebruikelijke wijze, dus zonder het vragen en verkrijgen van garanties, gaan effectueren en zich daarbij baseren op het eerdergenoemde schrijven van 4 januari 2023; ook deze handelwijze dat “wordt overgedragen, tenzij” in plaats van dat “niet wordt overgedragen, tenzij” vereist uit het oogpunt van rechtsbescherming dat de rechter het niet bieden van opvang na overdracht betrekt bij de rechtmatigheidsbeoordeling van het overdrachtsbesluit en niet eerst bij een mogelijk bezwaar tegen de feitelijke overdracht;
- Een andere uitleg en toepassing van de bepalingen in de Dublinverordening ontneemt, naar het oordeel van de rechtbank, het nuttig effect aan het in het Handvest opgenomen recht op een doeltreffende voorziening in rechte;
- De “tijdelijke situatie” bestrijkt thans ruim twee maanden. Op dit moment bestaat geen enkele indicatie op welke termijn Italië zal voldoen aan zijn verplichting om opvang te bieden en aan zijn verplichting om overdrachten vanuit de andere lidstaten te accepteren;
- Ook indien moet worden aangenomen dat de opschorting van de overdrachten op korte termijn wordt stopgezet, is het thans onduidelijk of de overdrachten worden gemaximeerd en/of in overleg met de andere lidstaten die overdrachtsbesluiten willen effectueren plaats gaan vinden. Er zijn op dit moment dermate weinig aanknopingspunten voor de te verwachten ontwikkelingen dat de rechtbank eenvoudigweg thans geen nadere beoordeling kan maken van de vraag of eisers, zodra Italië zijn opschorting staakt, toegang tot opvang die voldoet aan de Unierechtelijke vereisten zal hebben. Onder de gegeven omstandigheden kan bij die beoordeling niet onverkort en zonder nadere motivering van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Anders dan verweerder stelt, ligt hiervoor de bewijslast niet (langer) bij eiser;
- Op het moment dat Italië inkomende Dublinoverdrachten niet langer weigert, zal de rechtbank nader beoordelen wat de kwaliteit van de geboden opvang is en hoe de bewijslast moet worden bepaald;
- Verweerder had nader dienen te motiveren wanneer het in geheel niet (kunnen) bieden van opvang aan overgedragen Dublinclaimanten moet worden gekwalificeerd als structurele problemen en/of een “systeemfout”;
- De rechtbank concludeert dat voor zover er sprake zou zijn geweest van een rechtsgeldig claimakkoord, het overdrachtsbesluit, dat is genomen ná ontvangst van de Circular Letter, niet is voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat het overdrachtsbesluit rechtmatig is en dat de omstandigheid dat Italië thans, al dan niet na overdracht, geen opvang biedt aan Dublinclaimanten geen gevolgen zou moeten hebben voor de beoordeling of Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. De rechtbank concludeert niet dat overdracht van eisers aan Italië op grond van artikel 3, tweede lid, Dublinverordening, absoluut verboden is, maar vernietigt het overdrachtsbesluit dus (ook) vanwege motiveringsgebreken.
- De conclusie van de door de Avim verrichte schouw is niet inzichtelijk en begrijpelijk en kan daardoor niet aan het nader onderzoek en het besluit ten grondslag worden gelegd;
- De schouwers hebben lichamelijke kenmerken, gedragingen en verklaringen van eiser ten grondslag gelegd aan de conclusie maar niet gemotiveerd hoe deze waarnemingen en verklaringen worden geduid en welke waarde aan welke waarneming toekomt;
- De schouwers hebben dezelfde lichamelijke kenmerken, gedragingen en verklaringen van eiser ten grondslag gelegd aan de schouw, maar komen tot andere conclusies, het is niet inzichtelijk en begrijpelijk hoe dit kan;
- Het niet uitgaan van de verklaringen van eiser over zijn geboortedatum vanwege de registratie in Italië is niet redelijk omdat er uit de beide schouwen geen indicaties voor meerderjarigheid blijken, hij in bewijsnood om documenten te kunnen overleggen verkeert en het belang van het kind vereist dat verweerder moet kunnen uitsluiten dat eiser meerderjarig is;
- Het claimverzoek is zodanig onjuist en onvolledig dat dit niet rechtsgeldig is en er dus geen claimakkoord tot stand is gekomen;
- Italië voldoet thans gedurende ruim twee maanden niet aan zijn verplichtingen uit de Dublinverordening en de Opvangrichtlijn, zodat verweerder nader moet motiveren waarom overdracht aan Italië niet absoluut verboden is.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.