De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn twee minderjarige kinderen naar België, nadat de moeder hen in juli 2022 zonder toestemming naar Nederland had gebracht. De rechtbank stelde vast dat de vader samen met de moeder het gezag over beide kinderen uitoefent en dat de overbrenging naar Nederland ongeoorloofd was volgens het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
De moeder voerde verweer met beroep op weigeringsgronden, waaronder het niet daadwerkelijk uitoefenen van gezag door de vader en het risico op lichamelijk of geestelijk gevaar voor de kinderen bij terugkeer. Deze gronden werden door de rechtbank afgewezen, mede omdat de vader zijn gezag had erkend en er geen bewijs was voor een ondragelijke toestand.
De rechtbank bepaalde dat de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar België moet plaatsvinden uiterlijk 8 mei 2023, onder de voorwaarde dat het Belgische openbaar ministerie toezegt de moeder niet in voorlopige hechtenis te nemen en dat zij vrij kan reizen tussen Nederland en België. Indien de moeder niet meewerkt, dient zij de kinderen met geldige reisdocumenten aan de vader af te geven.
De rechtbank wees het verzoek om uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en bepaalde dat de proceskosten door partijen zelf worden gedragen. De beschikking werd gegeven door drie kinderrechters en kan binnen twee weken in hoger beroep worden aangevochten.