Eiseres, van Iraakse nationaliteit, diende op 24 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden en een ingebrekestelling op 19 december 2022, stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat aan de voorwaarden voor het indienen van beroep is voldaan. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Vreemdelingenwet 2000 is het beroep kennelijk gegrond. De rechtbank wijst op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) over het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen.
De rechtbank draagt de Staatssecretaris op om binnen negen weken een besluit te nemen, waarbij acht weken gelden voor de EDT-procedure en één week voor besluitvorming. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- opgelegd bij overschrijding. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres ad € 418,50.