Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:5695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 april 2023
Publicatiedatum
20 april 2023
Zaaknummer
AWB - 22 _ 566
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArt. 8:69a AwbHoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bij WOZ-waarde bezwaar

Eiser, huurder van een etagewoning, stelde dat de WOZ-waarde van zijn woning te hoog was vastgesteld en maakte bezwaar tegen de beschikking van de heffingsambtenaar. Na een ongegrond verklaard bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank beoordeelde of eiser belang had bij het beroep en concludeerde dat eiser als huurder geen direct financieel nadeel ondervond van de vastgestelde WOZ-waarde, waardoor het materiële procesbelang ontbrak. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard zonder inhoudelijke toetsing van de WOZ-waarde.

Eiser verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de rechtbank vaststelde dat de termijn met minder dan een maand was overschreden, wees zij het verzoek af omdat eiser een machtiging had getekend waarbij alle vergoedingen rechtstreeks aan zijn gemachtigde zouden worden betaald, waardoor eiser zelf niet gecompenseerd zou worden.

De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek tot immateriële schadevergoeding af, en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 22/566

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 april 2023 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: B. de Jong LL.B.),
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe Rijnland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 25 februari 2021 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] [nummer] te [plaats] (de woning), op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2020 (de waardepeildatum) voor het jaar 2021 vastgesteld op € 142.000.
Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2023.
Namens verweerder zijn mr. [naam 1] en [naam 2] verschenen. Gemachtigde van eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 februari 2023 aan WOZverminderen.nl, t.a.v. de heer B. de Jong LL.B. op het postbusadres Postbus [postbusnummer] te [postcode] [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 28 februari op het PostNL-punt is afgehaald, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Overwegingen

Feiten
1. Eiser is huurder van de woning. De woning is een etagewoning met balkon en berging. Het gebruiksoppervlak van de woning is ongeveer 59 m2.

Geschil2. In geschil is of eiser een belang heeft bij het instellen van beroep tegen de beschikking, en zo ja, of verweerder de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hiertoe voert eiser aan dat de woning verouderd is, de badkamer en keuken vies zijn en gedateerd. De kozijnen en het schilderwerk zijn aan vervanging toe. Er is geen sprake van een gemiddelde staat van onderhoud. Verder wijst eiser erop dat de woning energielabel E heeft. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder in de bezwaarfase ten onrechte heeft geweigerd de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te zenden. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen. Tenslotte verzoekt eiser om vergoeding van immateriële schade.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen belang heeft bij onderhavige beroepsprocedure. Met betrekking tot de waarde stelt verweerder zich op het standpunt dat de waarde van de woning op het juiste bedrag is vastgesteld. Hij verwijst hiertoe naar de door hem overgelegde waardematrix waarbij de waarde van de woning op € 155.720 is getaxeerd. Hierbij is rekening gehouden met een kwaliteit/luxe van de woning van ondergemiddeld. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij geen verplichting heeft om in de bezwaarfase stukken aan eiser te zenden. Eiser heeft bovendien geen gebruik gemaakt van zijn inzagerecht.
Beoordeling van het geschil
5. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiser, die huurder is van de woning, geen direct financieel gevolg ondervindt van een wijziging van de onderhavige vastgestelde WOZ-waarde. Dit is de rechtbank ook verder niet gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser een materieel procesbelang heeft omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht). [1]
6. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank komt niet meer toe aan een beoordeling van de hoogte van de door verweerder voor de woning vastgestelde WOZ-waarde.
7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005. [2] In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat eiser immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. [3] Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. In deze zaak is het bezwaarschrift door verweerder ontvangen op 19 maart 2021 en de uitspraak van de rechtbank is van 13 april 2023. Daarmee is sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn met nog geen maand.
8. Los van het onder 5 overwogene, heeft eiser een machtiging getekend waarin hij ermee instemt dat alle vorderingen uit hoofde van vergoedingen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kosten voor een deskundige, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen ter zake van overschrijding van de redelijke termijn aan zijn gemachtigde worden gecedeerd en dat de genoemde vergoedingen rechtstreeks op de rekening van gemachtigde worden overgemaakt. Voor zover deze bedragen (vanwege verrekening of anderszins) toch naar eiser worden overgemaakt, dan is hij uit hoofde van de machtiging verplicht de vergoeding over te maken naar gemachtigde. De hiervoor genoemde bepalingen in de machtiging brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiser niet persoonlijk gecompenseerd wordt voor veronderstelde spanning en frustratie. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen.
Proceskosten
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts voorzitter, en mr. A.D. van Riel en
mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2023
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het hoger beroepschrift ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9076
2.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
3.Hoge Raad, 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.