ECLI:NL:RBDHA:2023:5745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2023
Publicatiedatum
21 april 2023
Zaaknummer
NL22.19506
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, vierde lid AwbArt. 6:12, tweede lid en onder b Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet tijdig besluit op asielaanvraag wegens onjuiste termijntoepassing

De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een eerdere uitspraak van 22 december 2022, waarin het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag werd gegrond verklaard. De rechtbank had toen een termijn van acht weken gesteld voor het alsnog nemen van een besluit.

In het verzet stelde de staatssecretaris terecht dat de rechtbank onjuiste feiten had aangenomen omtrent de ontvangst van de ingebrekestelling, waardoor het beroep niet ontvankelijk kon worden verklaard. Tevens werd het 8+8 wekenmodel voor beslistermijnen verkeerd toegepast, aangezien een aanmeldgehoor niet betekent dat de vreemdeling niet meer gehoord hoeft te worden over zijn asielmotief.

De rechtbank concludeerde dat de eerdere uitspraak niet tot een kennelijk oordeel kon komen en verklaarde het verzet gegrond. Hierdoor vervalt de uitspraak van 22 december 2022 en wordt het onderzoek hervat in de stand van voor die uitspraak. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.

Uitkomst: Het verzet van de staatssecretaris is gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19506 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, opposant

Procesverloop

Bij uitspraak van 22 december 2022, heeft de rechtbank het beroep van [naam] (v-nummer [nummer]) tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigt en verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser. [2]
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank of zij terecht tot een kennelijk oordeel is gekomen.
2. Opposant heeft er terecht op gewezen dat de rechtbank er in de uitspraak van uit is gegaan dat verweerder op 15 september 2022 een ingebrekestelling door eiser heeft ontvangen, terwijl eiser het beroepschrift heeft ingediend op 29 september 2022. Uit deze feitenvaststelling volgt dat nog geen twee weken zijn verstreken na ontvangst van de ingebrekestelling, wat een voorwaarde is voor het instellen van een ontvankelijk beroep. [3] De rechtbank heeft niet met voorbijgaan hieraan kunnen concluderen tot een kennelijk ontvankelijk en gegrond beroep.
3. Daarnaast heeft opposant er terecht op gewezen dat in de rechtspraak wordt uitgegaan van het 8+8wekenmodel bij het bepalen van de aan opposant te stellen termijn voor het nemen van een beslissing op een asielaanvraag. De rechtbank volgt opposant in zijn uitleg van dit model dat voor een beslistermijn van 8 weken, zoals gesteld in de aangevallen uitspraak, slechts ruimte is indien mag worden aangenomen dat de vreemdeling niet meer hoeft te worden gehoord over zijn asielmotief.
4. Opposant stelt terecht dat de rechtbank hiervan is afgeweken. Uit de enkele omstandigheid dat een aanmeldgehoor heeft plaatsgehad kan namelijk niet worden afgeleid dat de vreemdeling niet meer over zijn asielmotief hoeft te worden gehoord. Zoals opposant terecht opmerkt, wordt in een aanmeldgehoor slechts summier ingegaan op de redenen voor de aanvraag. Voor zover uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak volgt dat het aan opposant was om zich hierover nader uit te laten, had de rechtbank opposant hierover moeten bevragen, alvorens een termijn te stellen voor het beslissen op de aanvraag. Nu dat niet is gebeurd, heeft de rechtbank niet tot het kennelijke oordeel kunnen komen dat een termijn van acht weken volstaat.
5. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 22 december 2022 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de aangevallen uitspraak werd gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid en onder b, van de Awb.