Eiser diende op 17 augustus 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiser de staatssecretaris in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden en de ingebrekestelling rechtsgeldig was. De rechtbank verwijst naar de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeurt, maar wel een rechterlijke dwangsom kan worden opgelegd.
De rechtbank legt de staatssecretaris een termijn van acht weken op om alsnog een besluit te nemen, aansluitend op het reeds gehouden gehoor. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser.