Eiser heeft op 20 maart 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden en een ingebrekestelling op 6 februari 2023, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank verwijst naar de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen niet in strijd is met het Unierecht, maar het uitsluiten van rechterlijke dwangsommen wel.
De rechtbank draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op €418,50 en aan verweerder opgelegd.