ECLI:NL:RBDHA:2023:6141
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf nareis wegens ontbreken feitelijke gezinsband
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis om bij zijn echtgenote in Nederland te verblijven. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser geen feitelijke gezinsband met zijn echtgenote kon aantonen, ondanks het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk.
De rechtbank oordeelt dat het gezinsleven dat hersteld moet worden het gezinsleven is zoals dat bestond voor vertrek uit het land van herkomst. Omdat eiser en referente elkaar voor het huwelijk niet kenden, het huwelijk op afstand is voltrokken en zij elkaar pas na verkrijging van de verblijfsvergunning in Nederland hebben ontmoet, is er geen feitelijke gezinsband.
De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht geen belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro hoefde te maken, aangezien het toetsingskader wordt bepaald door artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Ook mocht verweerder afzien van het horen in bezwaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een feitelijke gezinsband.