Art. 8:54 AwbArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw 2000Art. 5, tweede lid GezinsherenigingsrichtlijnArt. 7:3, aanhef en onder b AwbArt. 17 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling feitelijke gezinsband bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf na afwijzing
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag af om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen aan een vreemdeling die op afstand getrouwd was met een referent met een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk voldoende was voor gezinshereniging.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk slechts een weerlegbaar bewijsvermoeden voor de feitelijke gezinsband vormt, en dat uit tegenstrijdige verklaringen blijkt dat er geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven is. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht aanvullend onderzoek deed naar de feitelijke gezinsband, ook al was de huwelijksakte als echt erkend.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Vervolgens beoordeelde de Raad het beroep van de vreemdeling en verklaarde dit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht van het horen in bezwaar afzag. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitspraak
201904685/1/V1.
Datum uitspraak: 8 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 mei 2019 in zaak nr. 18/9708 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A. Nijland, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De vreemdeling stelt de Soedanese nationaliteit te hebben. Zij beoogt in het kader van nareis verblijf bij haar echtgenoot, referent, met wie zij op afstand is getrouwd en aan wie de staatssecretaris krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft zij onder meer een huwelijksakte overgelegd. Bureau Documenten heeft de huwelijksakte in de verklaring van onderzoek van 6 juni 2018 als echt aangemerkt. Daarom is niet in geschil dat tussen de vreemdeling en referent een juridische gezinsband bestaat. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat er volgens hem tussen de vreemdeling en referent geen feitelijke gezinsband bestaat.
2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:455, onder 5.8, volgt dat als er tussen een vreemdeling en een referent een rechtsgeldig huwelijk bestaat, daarmee is voldaan aan in de Gezinsherenigingsrichtlijn neergelegde voorwaarden voor gezinshereniging in het kader van nareis. Omdat de staatssecretaris niet heeft betoogd dat het gaat om een schijnhuwelijk, fraude of een naderhand verbroken feitelijke gezinsband, heeft hij de aanvraag dus ten onrechte afgewezen omdat de vreemdeling de feitelijke gezinsband met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. De uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2151, maakt dit niet anders, omdat Bureau Documenten in die zaak had geconcludeerd dat de overgelegde huwelijksakte mogelijk niet echt was, aldus de rechtbank.
Grief
3. De grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 2 weergegeven overwegingen. Hij voert aan dat hoewel een authentieke huwelijksakte bewijs vormt voor de juridische gezinsband, zij voor de feitelijke gezinsband slechts een weerlegbaar bewijsvermoeden met zich brengt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 niet dat een onderzoek naar de feitelijke gezinsband alleen is toegestaan als de desbetreffende huwelijksakte mogelijk niet echt is. Volgens de staatssecretaris volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 4 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:21, 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:206, 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1161, en 14 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1529, dat de vraag of een rechtsgeldig huwelijk bestaat, moet worden onderscheiden van de vraag of sprake is van een feitelijke gezinsband en dat het aan een vreemdeling is om de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken. De rechtbank heeft de vele tegenstrijdige verklaringen van de vreemdeling en referent volgens hem dan ook ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken. Daardoor heeft zij eveneens ten onrechte niet onderkend dat uit deze tegenstrijdigheden volgt dat er tussen hen geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven bestaat, aldus de staatssecretaris.
Beoordeling grief
4. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, onder 5.1, is het aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een werkelijk huwelijks- of gezinsleven uitoefent met de desbetreffende referent. Met het overleggen van een als 'echt' aangemerkte huwelijksakte, hebben de vreemdeling en referent in beginsel aan deze bewijslast voldaan. De staatssecretaris heeft vervolgens echter - overeenkomstig zijn beleid - niet ten onrechte in met name de omstandigheid dat de vreemdeling heeft verklaard dat zij op vijfjarige leeftijd is verloofd met de toen negentienjarige referent, de jonge leeftijd waarop zij - om onduidelijke redenen - bij haar gestelde schoonouders is gaan wonen en het korte tijdsverloop tussen de binnenkomst van referent en de huwelijksdatum indicaties gezien om te beoordelen of - ondanks het rechtsgeldige huwelijk - sprake is van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven.
Anders dan de vreemdeling in beroep heeft betoogd, is nader onderzoek in de vorm van aanvullende gehoren niet in strijd met de richtlijn, omdat artikel 5, tweede lid, in die mogelijkheid voorziet. Evenmin doet een onderzoek naar het bestaan van een werkelijk huwelijks- of gezinsleven af aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn. Gezinshereniging beoogt immers het herstel van het gezinsleven zoals dat bestond voor het vertrek van referent. Als een vreemdeling en referent in het land van herkomst geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven uitoefenden, bestaat er geen gezinsleven dat voor herstel in aanmerking komt. Een rechtsgeldig huwelijk zonder enige feitelijke invulling kan namelijk evengoed worden voortgezet zonder dat een vreemdeling nareist.
4.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaringen die de vreemdeling en referent in de aanvullende gehoren hebben afgelegd - in onderlinge samenhang bezien - volgt dat er tussen hen geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven bestaat. Hij heeft hierbij niet ten onrechte de volgende omstandigheden in aanmerking genomen: dat zij na de verloving zes jaar lang geen enkel contact hebben gehad en dat de vreemdeling heeft verklaard dat zij elkaar hierna wekelijks spraken, terwijl referent spreekt over eens in de drie maanden. Ook heeft het vervolgens nog twee jaar geduurd voordat zij - kort voor het vertrek van referent naar Nederland - in het huwelijk zijn getreden en hebben zij elkaar in de tussentijd niet ontmoet. Bovendien lopen de verklaringen uiteen over of de vreemdeling bij de huwelijksvoltrekking aanwezig was en kan zij in het geheel geen indicatie geven van de leeftijd van referent. Verder is het opmerkelijk dat de vreemdeling heeft verklaard dat referent haar dagelijks naar school bracht, terwijl hij stelt dat zij alleen naar school ging. Tot slot komen de verklaringen over de omstandigheden tijdens het verblijf van de vreemdeling bij de ouders van referent niet overeen.
Voor zover de vreemdeling in beroep heeft betoogd dat de staatssecretaris in strijd met artikel 17 vanPro de richtlijn geen rekening heeft gehouden met mogelijke culturele verschillen, faalt dit betoog, alleen al omdat de staatssecretaris het leeftijdsverschil en het gearrangeerde huwelijk, niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft gelegd.
De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
6. De vreemdeling betoogt in beroep dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar.
De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op de motivering van het besluit van 1 maart 2018 en wat de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan.
De beroepsgrond faalt.
7. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 mei 2019 in zaak nr. 18/9708;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.