ECLI:NL:RVS:2017:455
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat samenwoningvereiste bij nareis echtgenoot erkende vluchteling strijdig is met EU-richtlijn
De vreemdeling, gehuwd met een erkende vluchteling, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat de vreemdeling en de referent niet hadden samengewoond vóór binnenkomst in Nederland, wat volgens het beleid vereist zou zijn voor nareis.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders. Uit een uitgebreide analyse van de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG en de implementatie daarvan in de Nederlandse wetgeving bleek dat het samenwoningvereiste niet is toegestaan. De richtlijn biedt gunstiger voorwaarden voor gezinshereniging van vluchtelingen en beperkt de lidstaten slechts in de toepassing daarvan bij gezinsbanden die na binnenkomst zijn ontstaan.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris het vereiste van samenwoning ruimer interpreteerde dan de richtlijn toestaat en dat dit afbreuk doet aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag vernietigd.