Eiser, een Syrische asielzoeker, diende in Nederland een asielaanvraag in, maar deze werd buiten behandeling gesteld omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser betoogde dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, onder meer op basis van het AIDA-rapport en een Circular Letter van december 2022, en dat Nederland de aanvraag daarom zelf moest behandelen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan en dat de opschorting van overdrachten door Italië een tijdelijk feitelijk beletsel betreft. Italië heeft aangegeven de overdrachten op te schorten vanwege opvangcapaciteitsproblemen, maar dit betekent niet dat Nederland de asielaanvraag aan zich moet trekken. De overdrachtstermijn waarborgt dat onzekerheid van beperkte duur is.
Eisers stelling dat overdracht een risico op onmenselijke of vernederende behandeling inhoudt, werd verworpen omdat zolang de opschorting geldt, hij niet wordt overgedragen. Ook individuele omstandigheden van eiser waren onvoldoende onderbouwd om een uitzondering te rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.