ECLI:NL:RBDHA:2023:6795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
11 mei 2023
Zaaknummer
NL23.6090
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 25 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Oostenrijk

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende een asielaanvraag in Nederland in die niet in behandeling werd genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De Nederlandse overheid had een verzoek tot terugname bij Oostenrijk ingediend, waarop niet tijdig werd gereageerd, waardoor de verantwoordelijkheid bij Oostenrijk ligt.

Eiser stelde dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen het beschermingsbeleid van Oostenrijk en Nederland, waardoor overdracht aan Oostenrijk zou leiden tot een reëel risico op indirect refoulement. De rechtbank oordeelde dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet geldt.

De rechtbank weegt de door eiser overgelegde Eurostat-cijfers en enkele beslissingen niet als voldoende bewijs voor een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid. Ook de stelling dat pushbacks aan de grens met Slovenië zouden leiden tot risico’s voor eiser werd niet aannemelijk gemaakt.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6090

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Aly).

Procesverloop

In het besluit van 28 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk [naam] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van het besluit

De achtergrond van het geschil
1. Eiser is geboren op [datum] en heeft de Turkse nationaliteit. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 oktober 2022 in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 8 december 2022 bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft hierop niet tijdig gereageerd, waardoor sinds 23 december 2022 de verantwoordelijkheid van Oostenrijk vaststaat op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft hoeven nemen omdat Oostenrijk daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
3.1
Volgens eiser is er sprake van een fundamenteel verschil tussen het beschermingsbeleid van Oostenrijk ten aanzien van vluchtelingen uit Turkije en dat van Nederland. Daarom zou een overdracht aan Oostenrijk volgens eiser een reëel risico op indirect refoulement meebrengen. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Oostenrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, of anders gezegd: verweerder mag aannemen dat ook het Oostenrijkse beschermingsbeleid voldoet aan de regels van het Europese recht. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mag. Eiser dient dus zijn stelling te onderbouwen dat hij een reëel risico op indirect refoulement loopt.
3.2
Anders dan eiser ziet de rechtbank geen reden om op een andere wijze te oordelen over het wel of niet bestaan van een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Oostenrijk dan volgens het beoordelingskader dat is gegeven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022. [2] De rechtbank overweegt dan dat eiser geen algemene informatie heeft overgelegd die aannemelijk maakt dat er een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid is. Eiser heeft een aantal cijfers van de site Eurostat overgelegd over aantallen ingewilligde en afgewezen asielaanvragen in Oostenrijk. Deze cijfers geven echter geen informatie over de inhoud van de asielaanvragen. Bovendien is met deze enkele Oostenrijkse gegevens nog niets gezegd over de vergelijking met de aantallen Nederlandse toe- of afwijzingen van Turkse asielaanvragen.
Eiser heeft verder een toewijzende Nederlandse beschikking en een Oostenrijkse afwijzing van een Turkse asielaanvraag overgelegd. Ook deze enkele beslissingen – nog los van het feit dat niet goed is op te maken waarom de aanvragen zijn toe- of afgewezen – zijn onvoldoende om te concluderen dat er een fundamenteel verschil in het beschermingsbeleid is tussen Oostenrijk en Nederland voor Turkse vluchtelingen. Daarbij heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er geen adequate rechtsgang openstaat tegen afwijzende besluiten van een asielaanvraag in Oostenrijk.
3.3
Verder heeft eiser gesteld dat ook uit de pushbacks die plaatsvinden, blijkt dat verweerder niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk. Uit de overgelegde informatie blijkt inderdaad dat er pushbacks plaatsvinden maar dat die uitsluitend aan de grens met Slovenië plaatsvinden. Niet is gebleken dat eiser als Dublinterugkeerder daarvoor hoeft te vrezen. Ook hiermee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder voor hem niet langer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. van der Gouw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.