Het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp verleende een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee bedrijfspanden op een perceel nabij de woning van eiser. Eiser stelde beroep in tegen deze vergunning, stellende dat hij niet tijdig kon deelnemen aan de hoorzitting en dat de bouw nadelige gevolgen heeft voor zijn woonomgeving.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de oproep voor de hoorzitting tijdig was verzonden, waardoor sprake was van een schending van de hoorplicht. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat eiser zijn standpunten alsnog heeft kunnen toelichten. De rechtbank stelde vast dat de vergunningaanvraag voldeed aan het bestemmingsplan en andere relevante voorschriften, waardoor het college gebonden was de vergunning te verlenen.
Verder wees de rechtbank het beroep af dat gebaseerd was op mogelijke stikstofdepositie en natuurwaardenbescherming, omdat eiser onvoldoende belang had bij de bescherming van Natura 2000-gebieden gezien de afstand tot deze gebieden. De rechtbank concludeerde dat de bezwaren van eiser reeds bij het bestemmingsplan waren afgewogen en dat er geen aanleiding was voor een aanvullende belangenafweging bij de vergunningverlening.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het college werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden vanwege de schending van de hoorplicht.