ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- R.R. Winter
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bewijs van ontvangst bij niet aangetekende verzending bestuursbesluit
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen een besluit tot ongewenstverklaring gegrond had verklaard. De kern van het geschil betrof de ontvangst van het besluit dat niet aangetekend was verzonden. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het bestuursorgaan in eerste instantie aannemelijk moet maken dat het besluit naar het juiste adres is verzonden. Dit leidt tot een vermoeden van ontvangst, dat de geadresseerde kan ontkrachten door feiten te stellen die de ontvangst redelijkerwijs betwijfelen.
In deze zaak had de minister voldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit op 20 januari 2009 was verzonden naar het juiste adres van de gemachtigde van de vreemdeling. De vreemdeling stelde slechts dat niet alle niet aangetekend verzonden stukken aankomen en verwees naar problemen met postbezorging in 2009 en 2010, zonder deze te onderbouwen met feiten die de ontvangst van het besluit konden betwijfelen. De Afdeling oordeelde dat deze stellingen onvoldoende zijn om het ontvangstvermoeden te ontzenuwen.
Daarom werd het bezwaar van de vreemdeling wegens overschrijding van de termijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.