Eiser, van Mauritaanse nationaliteit, diende op 24 augustus 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na een eerdere beschikking van 14 oktober 2022 die kennelijk ongegrond werd verklaard en later werd ingetrokken, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat verweerder bekend was met de situatie en een ingebrekestelling niet redelijk was.
De rechtbank stelt vast dat op grond van de Vreemdelingenwet 2000 verweerder binnen zes maanden moet beslissen. Gezien de intrekking van de beschikking is er sprake van niet tijdig beslissen. De rechtbank verwijst naar recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak over de toepasselijkheid van dwangsommen in asielprocedures en bepaalt dat verweerder alsnog binnen veertien weken een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 bij overschrijding van deze termijn. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, totaal €2.929,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 23 mei 2023.