Eiser diende een aanvraag in voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 2 februari 2022 werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de verweerder het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Eiser stelde dat hij het besluit niet tijdig ontving omdat de aangetekende post hem niet bereikte, en dat de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat het besluit aangetekend naar het juiste adres was verzonden, waarbij eiser niet had betwist dat het adres correct was. De rechtbank verwees naar jurisprudentie dat bij aangetekende verzending wordt aangenomen dat het stuk de geadresseerde heeft bereikt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het stuk niet op regelmatige wijze is aangeboden. Eiser had niet gesteld dat hij geen afhaalbericht had ontvangen, terwijl verweerder kon aantonen dat het stuk retour was ontvangen van PostNL, wat erop wijst dat het poststuk aan het adres is aangeboden en niet is afgehaald.
De rechtbank concludeerde dat het primaire besluit op de voorgeschreven wijze bekend was gemaakt en dat het risico van het niet afhalen van het poststuk voor rekening van eiser komt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.