ECLI:NL:RBDHA:2023:7437
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiseres, moeder met de Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf om bij haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af, stellende dat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon, en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in haar nadeel uitviel.
Eiseres voerde aan dat zij afhankelijk is van haar zoon vanwege medische problemen en dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. De rechtbank oordeelde dat de medische documenten onvoldoende aantonen dat eiseres specifiek afhankelijk is van haar zoon en dat ook andere familieleden in Turkije zorg kunnen bieden. De rechtbank bevestigde dat het samenwonen in het verleden niet automatisch wijst op een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
In de belangenafweging weegt de rechtbank mee dat eiseres sinds 2014 in Turkije woont en dat zij waarschijnlijk een beroep zal doen op voorzieningen in Nederland. Het feit dat haar zoon een uitkering ontvangt, is ook relevant. De rechtbank vond dat de belangenafweging voldoende gemotiveerd is en dat het gezinsleven tussen ouders en kinderen prevaleert boven dat van grootouders en kleinkinderen.
Het beroep is ongegrond verklaard en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.674,-. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.L. van der Waals.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.