Eisers, houders van een verblijfsvergunning als kennismigrant en familie- of gezinslid, kregen hun vergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken omdat eiser sinds december 2019 enig aandeelhouder en directeur was van het bedrijf waar hij werkzaam was, waardoor hij niet langer aan de voorwaarden van de kennismigrantenregeling voldeed.
De rechtbank oordeelde dat eiser in de periode dat hij enig aandeelhouder was volledige zeggenschap had en het ondernemersrisico droeg, waardoor geen sprake meer was van een gezagsverhouding met de referent en hij niet als werknemer in de zin van de regeling kon worden beschouwd. De intrekking van de vergunning was daarom terecht.
Eisers voerden aan dat de intrekking in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren wegens onvoldoende onderbouwing en het legitieme belang van de overheid bij correcte toepassing van de regeling.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep was overschreden met 11 maanden, wat recht gaf op een immateriële schadevergoeding van €1.000,-. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.
De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten van €418,50.