ECLI:NL:RVS:2017:585
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure bouwvergunning paardenbak
Het geschil betreft een procedure over de bouwvergunning voor een paardenbak op een perceel te Andijk. Het college verleende in 2010 een ontheffing en bouwvergunning, welke door de rechtbank werd vernietigd. Na diverse besluiten en beroepen stelde de Afdeling bestuursrechtspraak vast dat de procedure uiteindelijk in hoger beroep in 2016 werd afgerond.
Verzoekers klaagden over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en verzochten om schadevergoeding. De Afdeling hanteerde het overgangsrecht waarbij een totale procedureduur van vier jaar als redelijk wordt beschouwd. De termijn begon te lopen bij het instellen van beroep tegen het primaire besluit in 2010.
De Afdeling concludeerde dat voor vijf verzoekers de redelijke termijn met bijna twee jaar was overschreden, terwijl voor de overige verzoekers de termijn niet was overschreden. De overschrijding werd volledig toegerekend aan het college en de raad van Medemblik. De Afdeling kende een forfaitaire schadevergoeding toe van €500 per verzoeker, gematigd vanwege gezamenlijke beroepen, en veroordeelde de gemeente tot betaling van proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige behandeling van bestuursprocedures en bevestigt dat overschrijding van redelijke termijnen leidt tot vergoeding van immateriële schade wegens spanning en frustratie, tenzij bijzondere omstandigheden dat uitsluiten.
Uitkomst: Vijf verzoekers krijgen een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursprocedure.