ECLI:NL:RBDHA:2023:7737
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoende heeft aangetoond dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden niet meer geldt en dat hij risico loopt op indirect refoulement bij terugkeer naar Zweden. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat het beschermingsbeleid van Zweden ten aanzien van Syrische vluchtelingen wezenlijk afwijkt van dat van Nederland, noch dat hij daadwerkelijk zal worden uitgezet naar Syrië.
De rechtbank benadrukt dat de bewijslast bij eiser ligt om aannemelijk te maken dat er een fundamenteel verschil is in beschermingsbeleid en dat de rechterlijke bescherming in Zweden niet effectief is. Aangezien eiser hier niet aan heeft voldaan, is het niet aan de staatssecretaris om twijfel weg te nemen over het risico op indirect refoulement.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is en geen risico op indirect refoulement is aangetoond.