Eiser diende op 22 februari 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde eiser verweerder op 8 september 2022 in gebreke en stelde vervolgens op 16 november 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder nam op 15 maart 2023 alsnog een besluit en wees de aanvraag toe.
De rechtbank vroeg eiser te reageren op het inwilligende besluit, maar bij gebrek aan reactie leidde de rechtbank af dat het beroep gehandhaafd bleef. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen binnen de wettelijke termijn na ingebrekestelling.
Het beroep tegen het besluit van 15 maart 2023 is ongegrond, aangezien het besluit niet geheel tegemoetkomt aan het beroep, met name omdat geen bestuurlijke dwangsom is toegekend. De rechtbank verwijst naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die bepalen dat de staatssecretaris geen bestuurlijke dwangsom verbeurt indien binnen twee weken na ingebrekestelling alsnog een besluit wordt genomen.
Ten slotte veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €418,50.