AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging niet tijdig besluit asielaanvraag en oplegging dwangsom
Eiser diende op 19 maart 2021 een asielaanvraag in. De rechtbank oordeelde eerder dat de staatssecretaris niet tijdig had beslist en stelde een termijn van acht weken voor een besluit. Deze termijn verstreek ongebruikt op 8 augustus 2022, waarna eiser beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is en vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit, wat gelijkgesteld wordt aan een besluit. De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tevens in de proceskosten van €418,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, en de staatssecretaris opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.15236
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 8 augustus 2022 beroep niet tijdig ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft op 19 maart 20211 een asielaanvraag ingediend. Bij uitspraak van 27 januari 2022 [1] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, geoordeeld dat verweerder hierop niet tijdig heeft beslist en verweerder opgedragen om binnen acht weken nadat de start van de AA-procedure heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022 een besluit op de aanvraag bekend te maken. Deze termijn is ongebruikt verstreken op 8 augustus 2022.
3. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook worden vernietigd.
4. Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder op te dragen een besluit te nemen binnen een termijn van twee weken en te bepalen dat verweerder een dwangsom van €250,- aan eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde beslistermijn wordt overschreden.
5. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft
Overwogen, [2] houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. [3] De rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend.
7. De rechtbank stelt vast dat van eiser op 25 maart 2021 en 11 januari 2022 gehoren zijn afgenomen. Op 21 juli 2022 heeft verweerder een voornemen uitgebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit aan eiser bekendmaakt.
8. Op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank aan de naleving hiervan een dwangsom verbinden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 [4] volgt dat de Tijdelijke wet opschorten dwangsommen IND [5] onverbindend is voor zover daarin aan de vreemdelingenrechter de mogelijkheid wordt onthouden om aan zijn uitspraak een dwangsom te verbinden. Overeenkomstig het gezamenlijke beleid van de rechtbank bedraagt de hoogte van de dwangsom € 100 per dag, voor iedere dag dat de gestelde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding voor een hogere dwangsom.
9. De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op
€ 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze
uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.