Eiser diende op 8 december 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden op deze aanvraag beslist. Nadat eiser verweerder op 28 december 2022 schriftelijk in gebreke stelde, werd alsnog geen besluit genomen, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk gegrond en vernietigde het niet tijdig genomen besluit. Uit jurisprudentie volgt dat het zogenoemde 8+8-wekenmodel passend is, waarbij verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit bekendmaken.
De rechtbank oordeelde verder dat verweerder een bestuurlijke dwangsom van €100 per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €418,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 11 mei 2023.