ECLI:NL:RBDHA:2023:9339

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2023
Publicatiedatum
29 juni 2023
Zaaknummer
NL23.2443
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbAlgemene wet bestuursrechtBesluit WBV 2022/22
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag wegens prematuur ingediende ingebrekestelling

Opposante heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak waarin haar beroep op het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

De rechtbank heeft het verzet zonder zitting behandeld en beoordeelde uitsluitend of er redelijke twijfel bestond over het eerdere oordeel. Opposante stelde dat de rechtbank niet tot een kennelijk oordeel was gekomen en dat er vanwege verschillende rechtspraak over WBV 2022/22 wel twijfel zou moeten bestaan.

De rechtbank overwoog dat de vereenvoudigde afdoening duidelijk uit de eerdere uitspraak bleek en dat er geen nieuwe argumenten waren aangevoerd die twijfel konden doen ontstaan. Ook de verschillen in rechtspraak over WBV 2022/22 waren niet voldoende om twijfel te rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en liet de eerdere uitspraak in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2443 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[Naam], opposante

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

Procesverloop

Bij uitspraak van 19 april 2023 [1] (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [2] beslist op het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposante niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In dit verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert allereerst aan dat de rechtbank niet daadwerkelijk tot een kennelijk oordeel is gekomen, maar slechts heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is. Opposante meent voorts dat de uitkomst van het beroep niet zonder twijfel vaststond, gelet op de verschillen in de rechtspraak over de toepassing van WBV 2022/22. [3]
4. De rechtbank overweegt dat in de aangevallen uitspraak weliswaar niet uitdrukkelijk is overwogen dat sprake was van
kennelijkeniet-ontvankelijkheid, maar dat de vereenvoudigde afdoening voldoende duidelijk blijkt uit tekst van de uitspraak, waaronder een verwijzing naar artikel 8:54, eerste lid, van de Awb en het vermelde rechtsmiddel.
5. In wat opposante verder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat zij niet tot een kennelijk oordeel heeft kunnen komen. In verzet zijn immers geen argumenten naar voren gebracht die in het geval van een normale behandeling (ter zitting) hadden kunnen worden aangevoerd en waardoor twijfel zou zijn ontstaan over de uitkomst van het beroep. [4] De omstandigheid dat door de verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank anders wordt geoordeeld over de betekenis van WBV 2022/22 voor de beslistermijn van verweerder, maakt niet dat in dit geval redelijke twijfel bestond over de uitkomst van het beroep. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak heeft deze zittingsplaats al eerder in gelijke zin over WBV 2022/22 geoordeeld in drie uitspraken van 21 maart 2023 [5] en in alle vergelijkbare zaken sindsdien.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL23.2443.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.
4.Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2177.