Eiseres, van Eritrese nationaliteit en minderjarig, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan als gezinslid van haar vader, die al een verblijfsvergunning in Nederland heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet was vastgesteld, mede omdat de vader niet meewerkte aan een DNA-onderzoek in Eritrea. Eiseres stelde dat het vrijwel onmogelijk is voor haar vader om Eritrea te verlaten vanwege risico's en dienstplicht, en dat verweerder onvoldoende rekening hield met haar belangen als kind.
De rechtbank constateerde dat verweerder bewijsnood aannam en een DNA-onderzoek aanbood, maar onvoldoende rekening hield met de praktische onmogelijkheid voor de vader om uit te reizen en de belangen van eiseres als minderjarig kind. Ook was niet gemotiveerd waarom geen alternatieve mogelijkheden voor DNA-afname via EU-vertegenwoordigingen werden onderzocht. Daarnaast had verweerder eiseres kunnen horen over de familierechtelijke relatie.
De rechtbank oordeelde dat de eisen aan de bewijsmiddelen onevenredig waren en dat de belangen van het kind onvoldoende waren meegewogen, wat leidt tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.