ECLI:NL:RVS:2020:2153
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie
De minderjarige vreemdeling met de Eritrese nationaliteit verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland in het kader van nareis bij zijn vermeende vader. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de familierelatie met zijn achterblijvende moeder niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat aanvullend DNA-onderzoek wegens bewijsnood niet mogelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in. Hij voerde aan dat hij een toestemmingsverklaring had overgelegd en dat het onmogelijk was voor zijn moeder om DNA-onderzoek te ondergaan zonder veiligheidsrisico's. Tevens stelde hij dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met zijn belangen als minderjarig kind.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht van de vreemdeling mag verlangen dat hij de familierelatie aannemelijk maakt en dat het niet vrijstellen van het vereiste van een toestemmingsverklaring gerechtvaardigd kan zijn bij bewijsnood. De staatssecretaris had de afwijzing voldoende gemotiveerd, maar had onterecht gesteld dat niet aannemelijk was dat de moeder geen family residence card heeft. Dit leidde tot vernietiging van het besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand, zodat het besluit feitelijk blijft gelden. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.