Eiseres betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van haar vrijstaande woning op de waardepeildatum 1 januari 2020. Zij stelt dat de waarde lager moet worden vastgesteld op basis van haar eigen aankoopprijs en een hogere indexering dan door verweerder gehanteerd. Tevens voert zij aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de anti-kraakbewoning na aankoop en dat niet alle stukken tijdig zijn verstrekt.
De rechtbank overweegt dat het eigen aankoopcijfer het beste de waarde in het economisch verkeer weerspiegelt en dat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in de gehanteerde indexering. Het verschil van 1,68% tussen de vastgestelde waarde en de door eiseres bepleite waarde is marginaal en binnen de aanvaardbare bandbreedte van taxaties. De anti-kraakbewoning na aankoop is niet relevant voor de waardebepaling op de waardepeildatum.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder niet verplicht was alle stukken voorafgaand aan de hoorzitting toe te zenden, en dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de inzagemogelijkheid. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de vergoeding toekomt aan de gemachtigde en niet aan eiseres.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.