ECLI:NL:RBDHA:2024:10034
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2024 behandeld en beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.
Eisers stelden dat zij in Kroatië onder slechte detentie- en leefomstandigheden verkeren, en dat hun overdracht in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest. Ook verwezen zij naar jurisprudentie die zou aantonen dat de situatie in Kroatië problematisch is. De staatssecretaris verwees naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigt dat Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds van toepassing is en dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Kroatië een situatie zullen treffen die strijdig is met de genoemde artikelen. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening wegens bijzondere omstandigheden werd verworpen, omdat de staatssecretaris dit deugdelijk had gemotiveerd en eisers geen objectieve onderbouwing hadden geleverd.
De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië blijft in stand. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen zijn ongegrond verklaard en de overdracht aan Kroatië blijft in stand.