Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:415

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
NL24.37408 en NL24.37410
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister die hun asielaanvragen niet in behandeling nam omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De minister had Kroatië op 31 januari 2024 verzocht om terugname, wat Kroatië op 14 februari 2024 accepteerde. Eerder waren soortgelijke beroepen reeds ongegrond verklaard en dit oordeel was onherroepelijk.

Eisers voerden aan dat het belang van hun minderjarige kind en medische omstandigheden onvoldoende waren meegewogen, en dat de minister had moeten horen. Zij overlegden een patiëntendossier waaruit problemen met borstvoeding en psychische overbelasting van eiseres zouden blijken. De rechtbank oordeelde dat deze medische omstandigheden pas in beroep werden ingebracht en onvoldoende waren onderbouwd om bijzondere, individuele omstandigheden aan te nemen.

De rechtbank verwees naar het arrest van het Hof van Justitie van 23 januari 2019 en het beleidskader waarin de minister terughoudend is in het toepassen van de hardheidsclausule van artikel 17 Dublinverordening Pro. De rechtbank concludeerde dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die overdracht aan Kroatië onevenredig hard maken. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en de asielaanvragen terecht niet in behandeling genomen.

Uitkomst: De beroepen zijn ongegrond verklaard en de asielaanvragen terecht niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.37408 en NL24.37410

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] en [naam 2] , V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] , eisers

mede namens hun minderjarige kind,
[naam 3], V-nummer: [v-nummer 3] ,
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 19 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.S Visser als waarnemer van de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat ging aan deze procedure vooraf?
4. Eisers hebben eerder op 11 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Op [geboortedatum] is eisers zoon [naam 4] geboren. Op 31 januari 2024 heeft de minister de Kroatische autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid onder b, van de Dublinverordening verzocht om eisers en hun minderjarige kind terug te nemen. Op 14 februari 2024 zijn de Kroatische autoriteiten hiermee akkoord gegaan. De minister heeft de asielaanvragen van eisers bij besluiten van 15 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 27 juni 2024 [1] geoordeeld dat de beroepen van eisers tegen deze besluiten ongegrond zijn. Dit oordeel is bij uitspraak van 18 juli 2024 van de Afdeling [2] in rechte vast komen te staan [3] .
4.1.
Op 2 augustus 2024 stond voor eisers een overdracht gepland naar Kroatië. Eisers zijn per 2 augustus 2024 met onbekende bestemming vertrokken. De overdracht is geannuleerd en op 6 augustus 2024 is de overdrachtstermijn verlengd naar 18 maanden.
4.2.
Eisers hebben op 7 augustus 2024 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eisers hebben daarbij aangegeven dat de minister heeft verzuimd rekening te houden met het welzijn en de sociale ontwikkeling van hun minderjarige kind. Eisers hebben daarbij verwezen naar een viertal uitspraken, twee van de Afdeling en twee van deze rechtbank [4] .
4.3.
Op 22 augustus 2024 hebben eisers een herzieningsverzoek ingediend met betrekking tot het besluit van 6 augustus 2024 waarin aan eisers is medegedeeld dat de uiterste overdrachtstermijn is verlengd.
Herzieningsverzoek
5. De rechtbank stelt vast dat het herzieningsverzoek over de overdrachtstermijn in deze procedure niet aan de orde is. Ter zitting is dit verzoek besproken, waarbij partijen het er over eens waren dat dit buiten het bestek van de onderhavige procedure met betrekking tot de asielaanvragen valt, zodat daar verder niet op in zal worden gegaan.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [5] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 14 februari 2024 aanvaard.
Had de minister eisers asielverzoeken in behandeling moeten nemen om de belangen van hum minderjarige kind te waarborgen?
7. Eisers voeren aan dat het belang van hun minderjarige kind in het bestreden besluit wordt miskend. Op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening moet de minister uitdrukkelijk en gemotiveerd rekening houden met het welzijn en de ontwikkeling van het minderjarige kind en de minister heeft dit verzuimd. In dit verband hebben eisers verwezen naar de onder rechtsoverweging 4.2. vermelde uitspraken. De minister had onder meer op grond van deze uitspraken aanleiding moeten zien om eisers te horen. De minister heeft een wettelijke plicht om actief eigen onderzoek te doen naar de gevolgen van een overdracht aan Kroatië voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van eisers minderjarige kind [naam 4] . Eisers hebben een patiëntendossier van de GZA [6] van eiseres overgelegd dat ziet op de periode tot en met 3 september 2024. Hieruit blijkt volgens eisers dat er problemen zijn met de borstvoeding en dat eiseres overbelast is door psychische problemen. Deze factoren zijn van invloed op het welzijn en de sociale ontwikkeling van [naam 4] . De minister had gelet hierop en gelet op de uitspraken waar eisers bij de aanvraag naar hebben verwezen, hierin aanleiding moeten zien om eisers te horen.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat overwegingen in verband met het belang van het kind, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening niet de verplichting kunnen scheppen om zelf het asielverzoek te behandelen waarvoor de lidstaat in kwestie niet verantwoordelijk is. De rechtbank verwijst op dit punt naar het arrest van het Hof van Justitie van 23 januari 2019, M.A. [7] Dat neemt niet weg dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. De minister heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc [8] staat dat de minister hiervan terughoudend gebruikmaakt als Nederland daartoe op grond van in de Dublinverordening neergelegde criteria niet verplicht is. Verder staat er, voor zover hier van belang, dat de minister de bevoegdheid in ieder geval gebruikt als “bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.” In dat kader kan het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter toetsen of verweerder zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind, voor zover aangevoerd. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die de minister heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Kroatië onevenredig hard is. Bij de asielaanvraag van 7 augustus 2024 hebben eisers enkel verwezen naar een viertal uitspraken zonder te onderbouwen waarom sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister is in het voornemen uitgebreid ingegaan op deze uitspraken en heeft gemotiveerd waarom de situaties in die zaken niet te vergelijken zijn met de situatie van eisers. De minister heeft er daarbij op gewezen dat de zoon van eisers een baby is en in die zin nog geen (eigen) hechting heeft in Nederland. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het belang van hun minderjarigen kind wordt miskend nu dit met de enkele verwijzing naar genoemde jurisprudentie onvoldoende is onderbouwd.
7.3.
In beroep hebben eisers een uitdraai van het patiëntendossier van de GZA [9] van eiseres overgelegd waaruit zou blijken dat er problemen zijn met de borstvoeding en dat eiseres overbelast is door psychische problemen. Nu pas in beroep voor het eerst wordt gewezen op de medische omstandigheden van eiseres en dit niet mede aan de opvolgende aanvraag ten grondslag is gelegd - een uitdraai van het patiëntendossier van eiseres is ook pas in beroep overgelegd - kan de rechtbank eisers niet volgen in hun betoog dat de minister in de medische omstandigheden van eiseres aanleiding had moeten zien om eisers voor het nemen van het bestreden besluit te horen. Dit geldt temeer nu de aanleiding voor de aanvraag niet gelegen was in de omstandigheden van eiseres en in de aanvraag verder niet is toegelicht of onderbouwd hoe haar situatie van invloed was op de situatie van [naam 4] . Ook in de bij de aanvraag overgelegde uitspraken die niet van een nadere onderbouwing waren voorzien, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eisers te horen. Van een schending van de hoorplicht is geen sprake.
7.4.
Ten aanzien van de gestelde medische problemen van eiseres heeft de minister zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat de medische informatie die is overgelegd ziet op haar situatie van enige tijd terug, te weten eind juli 2024 en dat eisers niet hebben onderbouwd dat en hoe deze problemen van invloed zijn op het welzijn en de ontwikkeling van [naam 4] . Daarmee is niet onderbouwd dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen. Daarbij is ter zitting desgevraagd verklaard dat eiseres op dit moment geen behandeling heeft voor haar psychische klachten.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvragen van eisers terecht niet in behandeling zijn genomen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
3.202404101/1/V3
4.ECLI:NL:RVS:2020:1281, ECLI:NL:RVS:2020:3044, ECLI:NLRBDHA:2024:739 en zaaknummer NL23.29967 (niet gepubliceerd)
5.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
6.Gezondheidszorg Asielzoekers
7.HvJEU23 januari 2019, M.A. e.a. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2019:53, punten 70 t/m. 72.
8.Vreemdelingencirculaire 2000
9.Gezondheidszorg Asielzoekers