ECLI:NL:RBDHA:2024:10139

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juni 2024
Publicatiedatum
2 juli 2024
Zaaknummer
NL24.20865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArtikel 17 DublinverordeningVerordening (EU) Nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Kroatië op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 29 januari 2024 een asielverzoek in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot op 14 mei 2024 het verzoek niet in behandeling te nemen omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname bij Kroatië ingediend, dat op 22 februari 2024 werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat hij in Kroatië slecht was behandeld, met onder meer overbevolking, dwang tot handtekening en vingerafdrukken, gebrek aan tolk, vernieling van zijn telefoon en achterlating op een treinstation. Hij stelde dat de staatssecretaris onvoldoende op deze klachten was ingegaan en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening daarom toegepast had moeten worden.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de bezwaren van eiser weliswaar niet expliciet afzonderlijk had benoemd, maar deze wel had meegewogen. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië werd bevestigd. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was om artikel 17 toe Pro te passen en verklaarde het beroep ongegrond.

Eiser mag derhalve worden overgedragen aan Kroatië en krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.E. van de Merbel op 27 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Kroatië wordt ongegrond verklaard en de overdracht toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20865

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. De gemachtigde van eiser en eiser zijn niet ter zitting verschenen. De griffier heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch contact met mr. Bondam opgenomen en mr. Bondam heeft daarbij aangegeven abusievelijk geen afmelding voor de zitting te hebben verstuurd. Hij heeft zich (en eiser) alsnog afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1970 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 29 januari in Nederland een asielverzoek ingediend.
2. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 22 februari 2024 aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe het volgende aan. De staatssecretaris is in het bestreden besluit niet of niet voldoende kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser dat hij in Kroatië slecht is behandeld. De staatssecretaris heeft in het bijzonder niet bij de besluitvorming betrokken dat eiser met 16 man in een kleine ruimte zonder eten is gepropt, dat hij werd gedwongen om een handtekening te zetten en vingerafdrukken af te geven, dat hij geen tolk kreeg tijdens de procedure, dat zijn telefoon door de politie kapot is gemaakt en dat hij is achtergelaten op een treinstation en is weggepest uit Kroatië. Door dit gebrek in het bestreden besluit heeft de staatssecretaris volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding is voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De Afdeling [3] heeft in haar uitspraak van 13 september 2023 [4] geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dat eiser stelt eerder bij de indiening van zijn asielaanvraag in Kroatië door Kroatië slecht te zijn behandeld doet daaraan niet af omdat de autoriteiten van Kroatië met het claimakkoord de terugname van eiser hebben geaccepteerd. Eiser zal daarom in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen en eisers asielaanvraag zal in behandeling worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen.
5. De staatssecretaris is in het bestreden besluit voldoende en voldoende kenbaar ingegaan op de door eiser gestelde bezwaren tegen overdracht aan Kroatië. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de verklaringen van eiser heeft kunnen meewegen, zonder die expliciet afzonderlijk te benoemen. De overwegingen kunnen het bestreden besluit dat er geen aanleiding is voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening dragen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 juni 2024 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ECLI:NL:RVS:2023:3411, bevestigd op 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:709, op 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778 en op 17 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2099.