ECLI:NL:RBDHA:2024:10139
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Kroatië op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 29 januari 2024 een asielverzoek in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot op 14 mei 2024 het verzoek niet in behandeling te nemen omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname bij Kroatië ingediend, dat op 22 februari 2024 werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat hij in Kroatië slecht was behandeld, met onder meer overbevolking, dwang tot handtekening en vingerafdrukken, gebrek aan tolk, vernieling van zijn telefoon en achterlating op een treinstation. Hij stelde dat de staatssecretaris onvoldoende op deze klachten was ingegaan en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening daarom toegepast had moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de bezwaren van eiser weliswaar niet expliciet afzonderlijk had benoemd, maar deze wel had meegewogen. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië werd bevestigd. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was om artikel 17 toe Pro te passen en verklaarde het beroep ongegrond.
Eiser mag derhalve worden overgedragen aan Kroatië en krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.E. van de Merbel op 27 juni 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Kroatië wordt ongegrond verklaard en de overdracht toegestaan.