Art. 17 lid 1 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:54 lid 1 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens pushback Kroatië
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling genomen. De rechtbank verklaarde dit besluit op 26 februari 2024 gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht had gewezen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdeling zijn beweringen over mishandeling en pushback in Kroatië onvoldoende had onderbouwd. Daarnaast was niet gebleken dat overdracht aan Kroatië een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRMPro of artikel 4 EUPro Handvest opleverde.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitspraak
202401368/1/V3.
Datum uitspraak: 30 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2024 in zaak nr. NL24.4438 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Sinnema, advocaat te Heerenveen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris komt in zijn grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling dat hij door Kroatische autoriteiten is mishandeld en slachtoffer is geworden van een pushback aan de grens, geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164. Verder heeft de vreemdeling zijn verklaringen over wat hem eerder in Kroatië zou zijn overkomen ook niet onderbouwd. Niet in geschil is dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 vanPro het EU Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 februari 2024 in zaak nr. NL24.4438;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.