ECLI:NL:RBDHA:2024:10231
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens internationale bescherming in Duitsland en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft op 3 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke door de staatssecretaris op 28 maart 2024 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eiser sinds 1 april 2021 internationale bescherming geniet in Duitsland.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 behandeld en beoordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest. Hoewel eiser bedreigingen en discriminatie door familie en omgeving heeft ervaren, heeft hij niet kunnen aantonen dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen beschermen.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidt ertoe dat Nederland mag aannemen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt, tenzij bijzondere feiten en omstandigheden dit tegenspreken. Eiser heeft niet voldoende bewijs geleverd om dit vermoeden te weerleggen.
De rechtbank wijst ook het beroep op bijzondere kwetsbaarheid af, omdat eiser opvang, financiële ondersteuning, onderwijs en medische voorzieningen in Duitsland heeft ontvangen en geen medische stukken heeft overgelegd die zijn kwetsbaarheid onderbouwen.
De staatssecretaris hoefde geen aanvullend onderzoek te verrichten, mede omdat eiser niet de benodigde documenten heeft overgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland.