ECLI:NL:RBDHA:2024:10582
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning nareis wegens ontbreken feitelijke gezinsband
Eiseres, geboren in 2001 en met de Jemenitische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning in het kader van nareis bij haar partner (referent). Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was gebleken van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent ten tijde van diens binnenkomst in Nederland. De rechtbank bevestigt dat artikel 16 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en dat het beleid van verweerder, dat per individueel geval beoordeelt of sprake is van een feitelijke gezinsband, niet in strijd is met deze richtlijn.
De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van de binnenkomst van referent sprake was van een feitelijke gezinsband. Relevant is onder meer dat eiseres en referent elkaar voor het laatst in 2007 respectievelijk 2014 persoonlijk hebben gezien, het huwelijk pas 27 dagen voor de inreis van referent is voltrokken en er geen sprake was van samenwoning of onderlinge afhankelijkheid. De rechtbank wijst het beroep af omdat het enkele feit van een rechtsgeldig huwelijk zonder feitelijke invulling onvoldoende is om een verblijfstitel te verkrijgen.
De stelling van eiseres dat het criterium van een feitelijke gezinsband niet van toepassing is op de aanvraag maar slechts op intrekking of niet-verlenging van een vergunning wordt verworpen. Ook het beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU leidt niet tot een ander oordeel, omdat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met die van het minderjarige kind in het arrest. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning nareis wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een feitelijke gezinsband.