Uitspraak
Datum uitspraak: 10 juni 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Voorzitter griffier
Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 december 2016 een aanvraag af voor een machtiging tot voorlopig verblijf van een vreemdeling die in het kader van nareis bij haar echtgenoot wilde verblijven. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de overgelegde huwelijksdocumenten wel degelijk heeft betrokken bij zijn beoordeling, maar hieraan geen waarde toekent vanwege de consistente verklaringen van de referent dat er geen samenwoning of werkelijk gezinsleven is. Ook al zou het huwelijk rechtsgeldig zijn, is dat onvoldoende om een werkelijk gezinsleven aan te nemen.
De vreemdeling en referent voerden aan dat sprake was van een duurzame en exclusieve relatie, mede ondersteund door kerkelijke huwelijksdocumenten en omstandigheden die samenwonen onmogelijk maakten. De Raad van State verwierp dit en bevestigde dat het ontbreken van samenwoning en onderlinge afhankelijkheid het ontbreken van werkelijk gezinsleven betekent.
Uiteindelijk vernietigde de Raad van State het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en wees het beroep van de vreemdeling en referent af. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling en referent wordt afgewezen wegens het ontbreken van een werkelijk gezinsleven.