ECLI:NL:RBDHA:2024:10648
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiseres, een Syrische vrouw, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De minister heeft op 18 april 2024 dit besluit genomen na een verzoek tot terugname aan Duitsland, dat dit verzoek op 12 februari 2024 heeft aanvaard.
Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening, mede omdat zij een minderjarige zoon heeft en familieleden in Nederland verblijven. De rechtbank oordeelt echter dat de minister zich redelijk heeft kunnen opstellen, aangezien de familiebanden niet aannemelijk zijn gemaakt en het enkele bestaan van een gezinsband onvoldoende is voor toepassing van artikel 17.
De rechtbank benadrukt dat eiseres zelfstandig naar Europa is gereisd en niet heeft aangetoond dat zij en haar familieleden op elkaars zorg zijn aangewezen. Ook is niet gebleken dat de familieleden rechtmatig in Nederland verblijven. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard, waarmee het besluit van de minister in stand blijft en overdracht aan Duitsland mogelijk is.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.L. Boxum en griffier K.E. Mulder en zonder zitting uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.