ECLI:NL:RVS:2016:2276
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van Dublinverordening
De vreemdeling vroeg om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de staatssecretaris wees dit verzoek op 24 april 2015 af en hield België verantwoordelijk voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden waren die overdracht aan België onevenredig hard maakten.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat de rechtbank ten onrechte te veel gewicht had toegekend aan de preambule van de Dublinverordening en onvoldoende had onderkend dat de verordening een beperkte definitie van gezinsleden hanteert. Tevens stelde hij dat de gezinsband pas op het grondgebied van de lidstaten was ontstaan en dat er geen sprake was van een mate van afhankelijkheid die overdracht in de weg stond.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de omstandigheden geen bijzondere, individuele omstandigheden vormden die overdracht aan België onevenredig hard maakten. De belangen van het kind en het gezinsleven zijn in de Dublinverordening verwerkt, maar deze verplichten niet tot het behandelen van de aanvraag in Nederland als de gezinsband niet binnen de beoogde beschermingsomvang valt.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.