Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 20 juni 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod op. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister hief de bewaring op 27 juni 2024. De rechtbank behandelde het beroep op 5 juli 2024 via telehoorzitting.
De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. Eiser stelde dat de maatregel onduidelijk was omdat ook een opmerking over de c-grond in de maatregel stond, terwijl deze niet als grondslag was opgegeven. De rechtbank oordeelde dat de maatregel terecht was gebaseerd op de a- en b-grond. De identiteit en nationaliteit van eiser waren onvoldoende vastgesteld, en er was een risico op onttrekking aan toezicht vanwege het ontbreken van geldige documenten, geen vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank verwierp dat eiser niet meewerkte vanwege het niet gebruiken van consulaire bijstand. Ook was de b-grond terecht toegepast vanwege het risico op onttrekking en het belang van het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de verblijfsvergunning. De enkele opmerking over de c-grond leidde niet tot onrechtmatigheid. Een lichter middel dan bewaring was niet passend, mede gelet op de medische omstandigheden en de gelijkwaardige zorg in detentie.
De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, ondanks dat eiser zijn asielaanvraag introk tijdens de bewaring. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.