ECLI:NL:RBDHA:2024:10901
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens godsdienstvervolging Irak
Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende een asielaanvraag in met het argument dat hij zich had bekeerd van de islam tot het christendom en daardoor vervolging zou vrezen bij terugkeer naar Irak. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser niet geloofwaardig werd geacht in zijn bekering, gebaseerd op het Nederlandse beoordelingskader dat een ‘oprechte bekering’ vereist.
De rechtbank oordeelt dat dit beoordelingskader onjuist is toegepast; bepalend is of er objectieve omstandigheden zijn die vervolging rechtvaardigen, niet of sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. De rechtbank vernietigt het besluit wegens onvoldoende motivering volgens artikel 3:46 Awb Pro.
Desondanks concludeert de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Irak te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn godsdienst. Er is geen bewijs van vervolging, foltering of ernstige beperkingen voor christenen in Irak. Daarom laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, wat betekent dat eiser geen asiel krijgt en Nederland moet verlaten.
Eiser krijgt wel een proceskostenvergoeding van €1.750,- toegewezen vanwege het gegrond verklaren van het beroep. De uitspraak is gedaan door rechter P.H. Banda en griffier J.M. van der Stouwe op 9 juli 2024 in Zwolle.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand waardoor eiser geen asiel krijgt en Nederland moet verlaten.