ECLI:NL:RBDHA:2024:10904
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2024 behandeld en beoordeelt of de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser stelde dat Duitsland geen adequate opvang biedt en dat dit leidt tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro, mede vanwege zijn kwetsbare positie als jongvolwassene zonder sociaal netwerk.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem die een schending van mensenrechten opleveren. Ook is niet gebleken dat eiser persoonlijk bijzondere kwetsbaarheid heeft die het vertrouwensbeginsel zou doorbreken.
Verder stelt eiser dat hij in Duitsland geen gezinshereniging kan krijgen, wat volgens hem een humanitaire grond is om zijn aanvraag in Nederland te behandelen. De rechtbank overweegt dat de Dublinverordening niet bedoeld is om op grond van artikel 8 EVRM Pro verblijf in Nederland te verkrijgen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat gezinshereniging in Duitsland onmogelijk is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister mag het besluit handhaven dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.