ECLI:NL:RBDHA:2024:1093
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op kinderbijslag vanaf vierde kwartaal 2022 wegens ingezetenschap
Eiseres, moeder van de zoon, heeft kinderbijslag aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf vóór het vierde kwartaal van 2022. De zoon verbleef ruim zeven jaar in Nigeria voor school en was gedurende die periode niet in Nederland aanwezig, hoewel hij in de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven. Verweerder, de Sociale verzekeringsbank, wees de aanvraag af voor de periode vóór het vierde kwartaal van 2022, omdat de zoon toen niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd.
De rechtbank oordeelt dat het verblijf van ruim zeven jaar in Nigeria zonder terugkeer naar Nederland betekent dat de zoon geen duurzame persoonlijke band met Nederland had. Het feit dat hij in de BRP stond ingeschreven is onvoldoende om het ingezetenschap aan te nemen. Ook de door eiseres aangevoerde omstandigheden, zoals het behoud van de Nederlandse nationaliteit en familiecontacten, leiden niet tot een andere conclusie.
De rechtbank volgt verweerder in de uitleg van het begrip ingezetene en wijst het beroep af. Het recht op kinderbijslag geldt vanaf het vierde kwartaal van 2022, toen de zoon daadwerkelijk in Nederland woonde. De rechtbank acht het beroep tijdig ingesteld en oordeelt dat er geen strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het non-discriminatiebeginsel. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2022.