Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht volgens de Dublinverordening. Nederland had verzoeken tot terugname ingediend bij Kroatië en Frankrijk, waarbij Kroatië het verzoek accepteerde en Frankrijk weigerde.
Eiser voerde aan dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, dat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kon worden vanwege structurele tekortkomingen en pushbacks in Kroatië. Hij verwees naar uitspraken en rapporten ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende op de zienswijze had gereageerd en dat Kroatië terecht als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, tenzij concrete en zwaarwegende aanwijzingen worden geleverd, wat eiser niet kon aantonen. De eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak werd bevestigd.
De rechtbank vond geen aanleiding tot nader onderzoek en stelde dat de asielaanvraag in Kroatië volgens Europese en internationale normen zal worden behandeld. Klachten over het afnemen van vingerafdrukken dienen bij Kroatische autoriteiten te worden ingediend. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.