Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Einduitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2024 in de zaak tussen:
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
1) Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend
(…)
18 De verwijzende rechter maakt melding van de houding van verschillende lidstaten die erin zou bestaan te beletten dat derdelanders hun grondgebied betreden, en van verklaringen waarbij alle lidstaten zijn betrokken en die zouden beogen emigratie naar hun grondgebied te voorkomen, en baseert zich hiervoor op rapporten van gezaghebbende bronnen, waarnaar hij verwijst, en officiële documenten. De verwijzende rechter is van mening dat deze houding en deze verklaringen indruisen tegen de verplichtingen van de lidstaten krachtens het Verdrag van Genève, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, en het Handvest, waarvan de eerbiediging de basis vormt van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Meer in het bijzonder verwijst hij naar de pushback-praktijken aan de grenzen.
(…)
20 In casu is de verwijzende rechter van oordeel dat uit objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie blijkt dat de Republiek Polen reeds meerdere jaren systematisch de grondrechten van derdelanders schendt door zich schuldig te maken aan pushbacks, regelmatig met gebruik van geweld, en door derdelanders die de Republiek Polen niet rechtmatig inreizen systematisch en onder als „erbarmelijk” aangemerkte omstandigheden te detineren.
(…)
22 De verwijzende rechter vraagt zich af of, ingeval er in een lidstaat structurele schendingen van de grondrechten plaatsvinden ten aanzien van een verzoeker of van derdelanders in het algemeen, de bevoegde autoriteit ervan moet afzien een besluit tot overdracht aan die lidstaat te nemen, dan wel of het beginsel van wederzijds vertrouwen onverkort van toepassing blijft.
(…)
42 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste twee vragen in essentie wenst te vernemen of artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander, overgaat tot pushbacks en bewaring aan zijn grensposten van derdelanders die een dergelijk verzoek aan zijn grens wensen in te dienen, eraan in de weg staat dat deze derdelander aan die lidstaat wordt overgedragen.
(…)
57 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat praktijken zoals die welke in casu zijn vastgesteld, namelijk pushbacks en bewaring aan grensposten, onverenigbaar zijn met het Unierecht en ernstige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers vormen. Daaruit volgt echter niet noodzakelijkerwijs dat deze tekortkomingen voldoen aan de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening, waaraan moet zijn voldaan om de overdracht te beletten van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de lidstaat waar deze praktijken bestaan.
58 Volgens deze bepaling maken alleen „systeemfouten” die „resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het [Handvest]”, een dergelijke overdracht onmogelijk.
59 Wat in casu de eerste van deze twee voorwaarden betreft, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de vastgestelde tekortkomingen in Polen voortduren en of zij, in het algemeen, betrekking hebben op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken of, op zijn minst, op bepaalde groepen van personen die om internationale bescherming verzoeken in hun geheel, zoals de groep van personen die om internationale bescherming verzoeken na de grens tussen Polen en Belarus te hebben overschreden of te hebben getracht deze te overschrijden.
(…)”
62 Wat de tweede voorwaarde betreft, namelijk het bestaan van een risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest als gevolg van „systeemfouten” in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers, staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of structurele tekortkomingen een risico inhouden dat de betrokkene wordt blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 4 van Pro het Handvest.
63 In dit verband dient hij te onderzoeken, ten eerste, of er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker in het hoofdgeding in geval van overdracht een reëel risico zou lopen om opnieuw naar de grens tussen Polen en Belarus te worden gebracht en aldaar naar Belarus te worden teruggestuurd (pushback), eventueel voorafgegaan door bewaring aan een grenspost, en, ten tweede, of dergelijke maatregelen of praktijken hem zouden blootstellen aan een situatie van zeer verregaande materiële ontberingen die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of die hem in een toestand van vernedering zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid, door hem in een situatie te brengen die zo ernstig is dat zij kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, respectievelijk punten 85 en 87 en 91‑93).
64 Bij deze beoordeling is de in aanmerking te nemen situatie die waarin de betrokken verzoeker zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden [zie naar analogie arresten van 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punten 85, 87 en 88, en 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a. (Gemeenschappelijke Brochure – Indirect refoulement), C‑228/21, C‑254/21, C‑297/21, C‑315/21 en C‑328/21, EU:C:2023:934, punten 134 en 135], en niet die waarin hij zich bevond toen hij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad.
(…)
“(…)
67 Wat betreft de bewijsstandaard en -regeling op grond waarvan artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening kan worden toegepast, moet, bij gebreke van specifieke preciseringen in die bepaling, worden verwezen naar de algemene bepalingen en de opzet van die verordening.
(…)
72 Hieruit volgt dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om alle relevante bewijsmiddelen en indirecte bewijzen in de zin van artikel 22, leden 2 en 3, van deze verordening over te leggen met betrekking tot het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat.
73 Bovendien ziet artikel 21, lid 3, van deze verordening niet alleen op die bewijsmiddelen of indirecte bewijzen, maar ook op andere relevante elementen uit de verklaring van de verzoeker aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is.
74 Ten slotte bepaalt artikel 22, leden 4 en 5, van die verordening dat de bewijsvereisten niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is voor de correcte toepassing van deze verordening en dat de aangezochte lidstaat, bij gebreke van formeel bewijs, zijn verantwoordelijkheid erkent wanneer de indirecte bewijzen samenhangend, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is.
75 Uit de overwegingen in de punten 68 tot en met 74 van het onderhavige arrest volgt dat de Uniewetgever geen eisen heeft gesteld met betrekking tot de aard en de bewijskracht van de informatie die de verzoeker in het kader van zijn deelname aan de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat mag verstrekken, met name om het eventuele bestaan aan te tonen van ernstige, op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij bij overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat een reëel risico als bedoeld in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van die verordening zal lopen.
76 Bijgevolg moet rekening worden gehouden met elk gegeven dat de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er een gevaar voor behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest bestaat, waarbij de rechterlijke instanties van de lidstaat die belast is met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat ertoe gehouden zijn om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, de realiteit van de aangevoerde tekortkomingen te beoordelen [zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punt 90, en 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a. (Gemeenschappelijke Brochure – Indirect refoulement), C‑228/21, C‑254/21, C‑297/21, C‑315/21 en C‑328/21, EU:C:2023:934, punt 136].
77 Bovendien moet worden opgemerkt dat de lidstaten, los van de inaanmerkingneming van de door de verzoeker verstrekte informatie, gehouden zijn een verzoeker niet aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming in deze lidstaat verzoeken ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest (zie in die zin arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, punt 94, en 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punt 85). Aldus kan niet worden uitgesloten dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante informatie waarvan hij kennis heeft om te beslissen over de toepassing van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening.
78 Hieruit volgt ten eerste dat de lidstaat die is belast met het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander rekening moet houden met alle informatie die hem door deze derdelander wordt verstrekt en die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, met name wat betreft het eventuele bestaan van een risico van een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling in geval van overdracht van deze verzoeker. Ten tweede moet de betrokken lidstaat meewerken aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of dit risico reëel is, op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. In voorkomend geval moet deze lidstaat hierbij op eigen initiatief rekening houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken.
(…)”
“(…)
33. De rechtbank overweegt voorts dat artikel 3, lid 2, Dublinverordening in de weg kan staan aan overdracht en dat daarbij dient te worden beoordeeld in welke situatie de verzoeker na overdracht zal geraken. Het Hof heeft echter in rechtsoverweging 82 van het arrest Jawo ook overwogen dat in het kader van het GEAS en met name de Dublin III-verordening moet worden aangenomen dat “de behandeling van personen” die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de eisen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt is als zodanig opgenomen in punt 32 van de considerans van de Dublinverordening. De reikwijdte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de periode waarin de lidstaten op grond van het GEAS aan hun verplichtingen moeten voldoen, lijkt dan ook niet beperkt tot de periode vanaf de overdracht en ook niet beperkt tot enkel de naleving van artikel 4 Handvest Pro. In deze rechtsoverweging wordt het wederzijds vertrouwen expliciet gerelateerd aan “de behandeling van personen” en niet aan “de behandeling na overdracht tijdens de asielprocedure, de opvang en de materiële leefomstandigheden na overdracht”. De rechtbank vraagt het Hof nader te preciseren of dit een indicatie is dat artikel 3, lid 2, Dublinverordening niet zodanig strikt moet worden uitgelegd dat de mate van eerbiediging van alle grondrechten voorafgaand aan de overdracht buiten beschouwing dient te blijven bij de vraag of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4. Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de staatssecretaris uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (zie het arrest van het Hof van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 80 en 81). Dat vermoeden is weerlegbaar (zie datzelfde arrest, punt 83-85) en het is aan een vreemdeling om dat te doen.
(…)
een reëel risicozal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest. De rechtbank concludeert daarom dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn onderzoeksplicht en niet omdat eiser reeds aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht moet worden verboden op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
moetengeven aan zijn discretionaire bevoegdheid omdat het van onevenredige hardheid zou getuigen om iedere derdelander die slachtoffer is geweest van pushbacks en onrechtmatige detentie voorafgaand aan het nemen van een overdrachtsbesluit over te dragen, resulteert dit alsnog in een absoluut verbod om tot overdracht over te gaan aan een lidstaat waarvan uit objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie blijkt dat deze lidstaat reeds meerdere jaren systematisch de grondrechten van derdelanders schendt door zich schuldig te maken aan pushbacks en onrechtmatige detentie. Verweerder is weliswaar bevoegd om op die wijze invulling te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid, maar is daartoe niet gehouden. Het is evenmin niet onredelijk dat verweerder niet categorisch de behandeling van alle asielaanvragen aan zich trekt van asielzoekers waarvoor lidstaten verantwoordelijk zijn die zich schuldig maken aan pushbacks.
- indienen beroep – 1 punt;
- verschijnen ter zitting bij de rechtbank op 27 mei 2022 – 1 punt;
- het indienen van schriftelijke inlichtingen bij het Hof van Justitie – 2 punten;
- het indienen van een zienswijze na het arrest – 0,5 punt;
- verschijnen ter zitting bij de rechtbank op 15 maart 2024 – 1 punt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvragen te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 7.218,75.