Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland op 10 november 2022. De minister wees de aanvraag op 22 april 2024 af als kennelijk ongegrond, mede vanwege een strafbaar feit en het niet onverwijld melden bij aankomst. De rechtbank behandelde het beroep op 26 juni 2024.
Eiser vreesde bij terugkeer huiselijk geweld van zijn vader en wraak van een criminele groep. De rechtbank oordeelde dat deze vrees niet aannemelijk was: er was geen actuele dreiging van de vader en de vrees voor de groep was gebaseerd op aannames zonder concrete aanwijzingen. Ook kon eiser elders in Algerije terecht. De minister mocht de aanvraag daarom afwijzen.
Daarnaast werd vastgesteld dat eiser zich niet onverwijld had gemeld bij aankomst, wat op zichzelf een grond voor afwijzing is. De minister legde een terugkeerbesluit en een tienjarig inreisverbod op vanwege een veroordeling voor een gewelddadige woningoverval. De rechtbank vond dat de minister dit terecht deed gezien de ernst van het misdrijf en het ontbreken van berouw of gedragsverandering.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter H. Hanssen - Telman en griffier M.J. Tijnagel op 18 juli 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond met een tienjarig inreisverbod.