ECLI:NL:RBDHA:2024:11656
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met partner
Eiseres ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 1 september 2020 een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner, met wie zij vier kinderen heeft. Dit werd niet gemeld, waardoor het recht op bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd.
Het college baseerde zich op verklaringen van eiseres en haar ex-partner, een onaangekondigd huisbezoek, buurtonderzoek en waarnemingen. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende bewijs had geleverd dat de ex-partner zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Eiseres voerde aan dat haar verklaring onder druk was afgelegd, maar de rechtbank verwierp dit en achtte de verklaring betrouwbaar. Ook het beroep op een zorgrelatie tussen broers en zussen faalde, omdat geen bloedverwantschap of zorgbehoefte was aangetoond.
De intrekking van de huishoudelijke hulp werd eveneens als terecht beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af en bevestigde het besluit van het college.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de beëindiging en terugvordering van bijstand en intrekking van huishoudelijke hulp is ongegrond verklaard.